PDA

View Full Version : "De dove die een lezing geeft aan degenen die kunnen horen?"



Faith
18-02-2011, 08:40
Voor zij die zich laten vermanen.

Bij Allaah, de tong is de baas. Het is de baas, want het bezorgt de vrijdagspreek. Het is de baas, want het rectificeert de onderlinge relaties van de mensen. Het is de baas, want het maakt overeenkomsten op de marktplaats. Het is de baas, want het debatteert in de rechtszaal. Maar, dit betekent niet dat wanneer een persoon zijn tong verliest (d.w.z. niet kan praten), zijn leven aldaar eindigt. Eerder zullen degenen met een sterke wil en discipline helden blijven, ongeacht hoeveel vermogen (van het lichaam) zij verliezen.

Mijn vriend, Abu ‘Abdullah, is niet anders dan mijn andere vrienden, maar hij is - en Allaah is Getuige - het meest gedreven onder hen in het verrichten van goede werken. Hij is betrokken bij een aantal da'wah projecten, inclusief de da'wah activiteiten die hij tijdens zijn werk doet. Hij werkt als vertaler in een instituut voor stom en dove mensen. Op een dag belde hij me en zei, “Wat zou je ervan vinden als ik twee mannen van het instituut naar jouw moskee zou brengen om een lezing aan de mensen te geven?” Ik was verrast en zei, “De dove die een lezing geeft aan degenen die horen?” Hij zei, “Ja! Sta ons toe deze zondag te komen.” Ongeduldig wachtte ik tot zondag zou aanbreken. Toen zondag eindelijk aanbrak, stond ik bij de deur van de moskee op hen te wachten, tot ik Abu 'Abdullaah zag arriveren in zijn auto. Hij parkeerde de auto nabij de deuren van de moskee. Hij stapte toen uit de auto, samen met twee mannen. Een van hen liep naast hem, terwijl de ander werd vastgehouden door Abu 'Abdullaah en bij zijn hand werd geleidt. Ik keek naar de eerste en merkte dat hij doof en stom was. Hij kon spreken noch horen. Ik keek naar de tweede man en merkte dat hij doof, stom en blind was. Hij kon niet horen, niet spreken noch zien. Ik reikte mijn hand uit en schudde de hand van Abu 'Abdullaah. De man die aan zijn rechterzijde stond - later kreeg ik te horen dat zijn naam Ahmad is - keek me aan met een glimlach, dus strekte ik mijn hand naar hem uit en groette ik hem. Abu ‘Abdullaah zei toen al wijzend naar de blinde man, “Groet ook Fayiz.” Ik zei, “asSalaamoe 'alaykoem, Fayiz!” Abu ‘Abdullaah zei, “Houd zijn hand vast, want hij kan je niet zien noch horen.” Ik plaatste mijn hand in de zijne, hij greep mijn hand vast en schudde het ferm.

Toen traden zij de moskee binnen. Na het gebed zat Abu 'Abdullaah op een stoel, aan zijn rechterkant zat Ahmad en aan zijn linkerkant zat Fayiz. De mensen keken vol verwondering naar hen. Ze waren niet gewend dat een doof persoon op een stoel zat om hen een lezing te geven! Abu ‘Abdullaah wendde zich toen tot Ahmad en zei iets tegen hem in gebarentaal. Ahmad antwoordde hem terug in gebarentaal. De mensen keken naar hen, maar ze begrepen niet wat er werd gezegd, dus deed ik de suggestie aan Abu 'Abdullaah om te vertalen wat Ahmad had gezegd, aangezien niemand in staat is om gebarentaal te begrijpen, behalve de dove of degene die gebarentaal onder de knie heeft. Abu ‘Abdullaah bracht de microfoon dichterbij en zei, “Ahmad vertelt jullie over dat wat de aanleiding is geweest van zijn leiding (hidaya).” Hij zei, “Ik was doof geboren en groeide op in Jeddah. Mijn familie voorzag mij niet in voedsel noch schonken ze mij enige aandacht. Ik zag mensen altijd naar de moskee gaan, maar ik wist niet waarom. Ik zag dat mijn vader vaak neerknielde op een gebedskleed, maar ik wist niet waarom. Elke keer wanneer ik mijn familie hierover vroeg, kleineerde ze mij. Ze beantwoordden mijn vragen nooit.”

Abu 'Abdullaah was stil en zei iets tegen Ahmad in gebarentaal. Ahmad vervolgde toen zijn preek in gebarentaal, terwijl hij bezig was, veranderde zijn gezichtsuitdrukking plotseling, alsof hij emotioneel werd geraakt. Abu ‘Abdullaah boog zijn hoofd, terwijl Ahmad hevig begon te huilen. Vele aanwezigen werden hierdoor geraakt, al hadden zij geen idee waarom hij huilde. Hij sprak verder in gebarentaal tot hij stopte. Abu ‘Abdullaah zei toen, “Ahmad vertelt jullie nu over de periode in zijn leven waardoor hij veranderde in de persoon die hij vandaag de dag is; hoe hij Allaah leerde kennen en hoe hij het gebed leerde, dankzij een persoon die hij op straat tegenkwam en hem leerde uit medelijden, en hoe hij, toen hij begon met bidden, zich in de nabijheid van Allaah voelde, door de gedachte aan de immense beloning die hem aan het opwachten is vanwege zijn toestand, alsook de manier waarop hij de zoetheid van het geloof proefde.”

Abu ‘Abdullaah verhaalde het hele verhaal aan de mensen, terwijl zij allen met grote verwondering aan het luisteren waren. Ik echter dacht aan iets anders. Ik keek naar Ahmad en dan naar Fayiz en zei tegen mezelf, “Ahmad kan zien en kent gebarentaal, waardoor Abu ‘Abdullaah in staat is om met hem te communiceren. Ik vraag me af hoe Abu 'Abdullaah met Fayiz wil gaan communiceren, aangezien hij niet zien, spreken noch horen kan?” Ahmad was klaar met zijn lezing en veegde zijn tranen af. Ondertussen wendde Abu ‘Abdullaah zich naar Fayiz. Ik vroeg mezelf af, “Wat gaat hij doen?” Abu ‘Abdullaah tikte met zijn vingers op Fayiz's knie, en daar was hij bezig met het geven van een zeer emotionele lezing. Enig idee hoe hij die preek gaf? Sprak hij? Hoe zou hij kunnen, aangezien hij niet kan praten! Sprak hij in gebarentaal? Hoe zou hij kunnen, aangezien hij blind was en nooit gebarentaal heeft geleerd. Hij gaf de lezing door middel van de 'aanrakingstaal'.

Abu ‘Abdullaah, die fungeerde als vertaler, plaatste zijn hand tussen de handen van Fayiz. Fayiz raakte dan zijn hand op een bepaalde manier aan, waardoor Abu ‘Abdullaah wist wat Fayiz probeerde te zeggen. Hij vertelde ons dan wat hij begreep van Fayiz. Soms duurde het een kwartier om te begrijpen wat hij probeerde te zeggen. Fayiz bleef op die momenten stil, niet wetend of de vertaler wel of niet al klaar was met vertalen, aangezien hij uiteraard niet in staat was om te horen of te zien. Wanneer de vertaler klaar was met vertalen, dan tikte hij nog een keer op de knie van Fayiz. Fayiz zou dan zijn handen uitstrekken en de hand van de vertaler vastpakken om zijn bepaalde boodschap over te brengen.

De mensen bleven zitten, terwijl ze vol verwondering naar Fayiz en de vertaler keken die op unieke wijze met elkaar aan het communiceren waren. Fayiz spoorde het publiek aan om berouw te tonen voor hun zonden aan Allaah. Op het ene moment zou hij zijn oren vastpakken, dan zijn tong en vervolgens plaatste hij zijn handen op zijn ogen. We zouden niet begrijpen wat hij bedoelde, totdat Abu 'Abdullaah het voor ons vertaalde. Hij adviseerde de mensen om hun oren en ogen te beschermen en niet in het verbodene te vallen (door middel van deze ledematen). Terwijl ik naar de mensen keek, merkte ik op dat een enkeling 'Subhan Allaah' zuchtte, anderen fluisterden naar de persoon naast hen, anderen keken met grote interesse en nog anderen waren aan het huilen.

En wat mezelf betreft, mijn gedachten waren inderdaad heel ver afgedwaald. Ik contempleerde over de lichamelijke vermogens die Fayiz had in vergelijking met dat waar het publiek mee begunstigd was. Vervolgens plaatste ik de diensten die Fayiz voor de religie had verleent en vergeleek ik dit met de diensten die het publiek had verleend. Welzeker, de zorg die deze blinde, dove en stomme man in zijn hart had voor de Islam, was groter dan de zorg van het gehele publiek bij elkaar. Ondanks het feit dat de man erg gelimiteerd was in zijn lichamelijke vermogens, putte hij zichzelf uit om zichzelf ten dienste te stellen van de Islam. Hij voelde zich als een soldaat van de Islam, verantwoordelijk voor eenieder die zondigde of tekort schoot in het belijden van de religie. Hij was zijn hand continu aan het bewegen, alsof hij vermanend zei, “Voor hoelang nog zullen jullie het gebed verwaarlozen? Hoelang zullen jullie nog kijken naar al-Haram (het verbodene)? Hoelang zullen jullie nog voortgaan in het verrichten van verwerpelijke daden? Hoelang nog zullen jullie al-Haram consumeren? Hoelang nog zullen jullie de shirk praktijken voortzetten? Hoelang nog?! Is het niet genoeg dat de vijanden een oorlog spannen tegen onze religie? Waarom doe je mee aan deze oorlog tegen jouw religie (door het niet te belijden en te zondigen)?”

De gezichtsuitdrukking van de arme man veranderde vaak terwijl hij met het publiek deelde wat hij in zijn hart had. Het publiek op hun beurt werden diep geraakt door zijn woorden. Al keek ik niet rond om naar de mensen te kijken, ik kon de mensen nog steeds horen huilen en roepen, “SubhanAllah!” Uiteindelijk was Fayiz klaar met zijn lezing en hij stond op, terwijl Abu ‘Abdullaah zijn hand vasthield. Het publiek kwam naar hem toe en groette hem. Ik zag hoe hij iedereen groette. Voor mij was het duidelijk dat hij iedereen op een gelijke manier behandelde. Hij groette iedereen en maakte geen onderscheid in rijk en arm, of in leider en volgers. Ik dacht bij mezelf, waren alle mensen maar zoals Fayiz! Abu ‘Abdullaah pakte Fayiz bij de hand en leidde hem naar de uitgang van de moskee. Ik liep aan hun zijde, terwijl zij zich een weg baanden naar de auto. Ik zag dat Fayiz en de vertaler met elkaar aan het grappen waren en ik besefte hoe onbelangrijk deze wereld eigenlijk is. Hoeveel mensen hebben niet eens de kwart van de problemen die Fayiz heeft, desondanks zijn zij niet in staat om over hun verdriet en leed heen te komen. Hoe zit het met degene die aan chronische ziektes lijden, zoals verlamming, diabetes of andere afwijkingen? Waarom genieten zij niet van hun leven en leren ze omgaan met de realiteit? Hoe wonderbaarlijk is het wanneer Allaah Zijn dienaar beproeft en dan in zijn hart kijkt, om dan te bemerken dat de dienaar nog steeds dankbaar en tevreden is, al verlangend naar Zijn Beloning.

Velen dagen zijn gepasseerd en nog steeds ben is het beeld van Fayiz diep in mijn geheugen geprent. Als Fayiz zo succesvol kan zijn in het leven en in staat is om de liefde van anderen te winnen, terwijl hij blind, doof en stoom is, hoe zit het dan met degene die gezegend is met een tong, gezichtsvermogen en gehoor? Gebruik je tong om de liefde van de mensen voor je te winnen!

['Enjoy your life', p. 490-496]