Page 3 of 5 FirstFirst 12345 LastLast
Results 21 to 30 of 47

Thread: Wie is Dajjal..?

  1. #21

    Default

    Helaas staat de sorat er niet in maar ik heb ook nog iets anders gevonden:

    1. Het vasthouden aan Islam, het hebben van een rechtzinnig geloof en het leren van de Namen en Meest Schone Eigenschappen van Allah die niet gedeeld worden door wie dan ook is een van de adviezen. Een persoon zou moeten weten dat de Dajjaal een mens zal zijn die zal eten en drinken, en dat Allah daar ver boven staat; De Dajjaal zal eenogig zijn terwijl Allah dat niet is. Niemand kan zijn Heer zijn totdat de dood tot hem komt, maar de Dajjaal kan gezien worden door alle mensen, zowel gelovigen als ongelovigen, wanneer hij zal verschijnen.

    2. Het toevlucht zoeken bij Allah tegen de Fitnah van de Dajjaal, vooral in het gebed. Dit wordt overgeleverd in Sahih ahadith, zoals de hadith overgeleverd door de moeder van de gelovigen, Aa'ishah (Moge Allah tevreden met haar zijn), de vrouw van de Profeet (Vrede en zegeningen zij met hem). Zij zei dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem in zijn salaah altijd smeekte; "Allaahoemma ienni a'oodhoe bika mien 'adaab al-qabrie, wa a'oodhoe bika mien fitnatie Al-maseeh Dajjaal, wa a'oodhoe bieka mien fitnat il-mahyaa wa fitnat l-mamaat. Allaahumma inni a'oodhoe bieka min al-ma'tham wa'l-maghram (O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de bestraffing in het graf, ik zoek toevlucht bij U tegen de fitnah van de Dajjaal, en ik zoek toevlucht bij U tegen de test in dit leven en bij de dood. O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen zondes en schulden.)" (Overgeleverd in Sahih Al-Boekharie, nummer 789). Moesliem heeft overgeleverd dat Aboe Hoerayrah (Moge Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd; "De Boodschapper van Allah (Vrede en zegeningen van Allah zij met hem) zei;'Wanneer iemand van jullie de Tashahhoed zegt, laat hem dan toevlucht zoeken bij Allah tegen vier dingen. Zeg; "Allaahumma ienni a'oodhoe bieka mien 'adhaabie djahannam wa mien 'adhaabie al-qabrie wa mien fitnatie l-mahyaa wa'l-mamaat wa mien sharrie fitnatie Al-maseehie Dajjaal" (O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de bestraffing in van de Hel, tegen de bestraffing in het graf. tegen de testen in dit leven en bij de dood, en tegen het kwaad en de fitnah van de Dajjaal)'" (Overgeleverd door Moesliem, nummer 924)

    3. Het uit het hoofd leren van Soerat Al-Kahf. De Profeet (Vrede en zegeningen van Allah zij met hem) heeft ons bevolen om de openingsverzen van Soerat Al-Kahf te reciteren tegen de Dajjaal. Volgens sommige overlevering betreft het (ook) de laatste verzen van de Soerah. Dit betekent dus dat het gaat om het reciteren van de eerste tien of de laatste tien aya's. Een van de ahadith waarin dit besproken wordt is de lange hadith, overgeleverd door Moesliem van al-Nawwaas ibn Sam'aan, waarin er wordt gezegd; "Degene van jullie die hem zien (De Dajjaal), laat hem de openingsverzen van Soerat al-Kahf reciteren" (Moesliem 5228). In Moesliem nummer 1342 wordt er overgeleverd dat Aboe Dardaa' heeft gezegd dat de Profeet (Vrede zij met hem) heeft verteld; "Degene die de eerste tien ayat onthoudt van het begin van Soerat al Kahf, zal beschermd worden door de Dajjaal". Dit houdt in dat hij beschermd word tegen zijn Fitnah. Moesliem zegt ook dat "Shoe'bah zei dat het ging om "het einde van Al-Kahf", terwijl Hammaam zei dat het om het begin ging."

    Al Nawawai zei hierover; "De reden voor dit verschil is omdat aan het begin van deze Soerah veel wonderen en Tekenen staan, en degene die hierover nadenkt zal niet bedrogen worden door de fitnah van de Dajjaal. En op het einde van de Soerah zegt Allah (vertaling van de betekenis); Denken degenen die niet geloven, dat zij Mijn dienaren naast Mij tot beschermers (awliyaa', heren) kunnen nemen?' (Al Kahf, 18:102)" (Al-Nawawi zegt dit in Sharh Sahih Moesliem, 6/93)

    Dit is een van de speciale kenmerken van Soerat al-Kahf. Er zijn ahadith die het aanbevelen om deze Soerat te lezen, vooral op vrijdag. Al Haakim heeft overgeleverd dat de Profeet (Vrede en zegeningen zij met hem) zei; "Degene die Soerat al-Kahf op vrijdag reciteert, zal een licht voor zichzelf hebben van de ene vrijdag tot de volgende." (al-Moestadrak, 2/368. Sahih geclassificeerd door al-Albaani, in Sahih al Djaami' al-Saghir, hadith 6346)

    Ongetwijfeld is Soerat al-Kahf van groot belang, gevuld met grootse ayaat, zoals het verhaal van de Mensen van de Grot, het verhaal van Moesa (Vrede zij met hem) en al-Khidr, het verhaal van Dhoel-Qarnayn en de dam die hij bouwde om Ya'jooj en Ma'jooj tegen te houden. Ook bevat het bewijs voor de wederopstanding, en het vertelt over het blazen van de Trompet, en de uitleg over degenen wiens daden het meest verloren gaan, wie degenen zijn die denken dat ze leiding ontvangen, terwijl ze in werkelijkheid misleidt en blind zijn. Elke Moesliem zou moeten streven om deze soera te lezen, te onthouden, en om het vaak te herhalen, vooral op de beste dag waarop de zon opkomt; de vrijdag.

    --------------------------------------------------------------------------------

  2. #22

    Default

    Jah het verhaal ken ik en de vertaling,

    de geschiedenis zal zich herhalen met de tijd enzo,

    Net zoals de 3 of 4 mannen en de hond (allahoe3alem) maar echt lezen dat moet ik echt leren


    Bedankt voor de moeite

  3. #23

    Default

    Quote Originally Posted by nihad View Post
    Jah ik vertrouw op ALLAH,

    Maar zijn jullie niet bang dan?

    Niet dat ik er zeker van ben dat ik nog leef,

    Maar alleen die gedachtes bij de dag des oordeels al,

    laatstaan wat er allemaal gaat gebeuren

    Jah soukran ik ga maandan quraan kopen in het nederlands, Ik wil dan mijn kinderen beschermen mocht ik nog in levend zijn
    Ik ben ook bang..
    Ik denk elke dag aan mijn zonden die ik die dag ben begaan en mijn goede daden van de dag.
    Ik beng bang voor wat komen gaat maar inshallah ook blij
    Ik denk elke dag dat ik nog veel te leren heb

  4. #24

    Default

    Bismi Allahi alrrahmani alrraheemi

    1. Alhamdu lillahi allathee anzala AAala AAabdihi alkitaba walam yajAAal lahu AAiwajan

    2. Qayyiman liyunthira ba/san shadeedan min ladunhu wayubashshira almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajran hasanan

    3. Makitheena feehi abadan

    4. Wayunthira allatheena qaloo ittakhatha Allahu waladan

    5. Ma lahum bihi min AAilmin wala li-aba-ihim kaburat kalimatan takhruju min afwahihim in yaqooloona illa kathiban

    6. FalaAAallaka bakhiAAun nafsaka AAala atharihim in lam yu/minoo bihatha alhadeethi asafan

    7. Inna jaAAalna ma AAala al-ardi zeenatan laha linabluwahum ayyuhum ahsanu AAamalan

    8. Wa-inna lajaAAiloona ma AAalayha saAAeedan juruzan

    9. Am hasibta anna as-haba alkahfi waalrraqeemi kanoo min ayatina AAajaban

    10. Ith awa alfityatu ila alkahfi faqaloo rabbana atina min ladunka rahmatan wahayyi/ lana min amrina rashadan

    11. Fadarabna AAala athanihim fee alkahfi sineena AAadadan

    12. Thumma baAAathnahum linaAAlama ayyu alhizbayni ahsa lima labithoo amadan

    13. Nahnu naqussu AAalayka nabaahum bialhaqqi innahum fityatun amanoo birabbihim wazidnahum hudan

    14. Warabatna AAala quloobihim ith qamoo faqaloo rabbuna rabbu alssamawati waal-ardi lan nadAAuwa min doonihi ilahan laqad qulna ithan shatatan

    15. Haola-i qawmuna ittakhathoo min doonihi alihatan lawla ya/toona AAalayhim bisultanin bayyinin faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban

    16. Wa-ithi iAAtazaltumoohum wama yaAAbudoona illa Allaha fa/woo ila alkahfi yanshur lakum rabbukum min rahmatihi wayuhayyi/ lakum min amrikum mirfaqan

    17. Watara alshshamsa itha talaAAat tazawaru AAan kahfihim thata alyameeni wa-itha gharabat taqriduhum thata alshshimali wahum fee fajwatin minhu thalika min ayati Allahi man yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahu waliyyan murshidan

    18. Watahsabuhum ayqathan wahum ruqoodun wanuqallibuhum thata alyameeni wathata alshshimali wakalbuhum basitun thiraAAayhi bialwaseedi lawi ittalaAAta AAalayhim lawallayta minhum firaran walamuli/ta minhum ruAAban

    19. Wakathalika baAAathnahum liyatasaaloo baynahum qala qa-ilun minhum kam labithtum qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin qaloo rabbukum aAAlamu bima labithtum faibAAathoo ahadakum biwariqikum hathihi ila almadeenati falyanthur ayyuha azka taAAaman falya/tikum birizqin minhu walyatalattaf wala yushAAiranna bikum ahadan

    20. Innahum in yathharoo AAalaykum yarjumookum aw yuAAeedookum fee millatihim walan tuflihoo ithan abadan

    21. Wakathalika aAAtharna AAalayhim liyaAAlamoo anna waAAda Allahi haqqun waanna alsaAAata la rayba feeha ith yatanazaAAoona baynahum amrahum faqaloo ibnoo AAalayhim bunyanan rabbuhum aAAlamu bihim qala allatheena ghalaboo AAala amrihim lanattakhithanna AAalayhim masjidan

    22. Sayaqooloona thalathatun rabiAAuhum kalbuhum wayaqooloona khamsatun sadisuhum kalbuhum rajman bialghaybi wayaqooloona sabAAatun wathaminuhum kalbuhum qul rabbee aAAlamu biAAiddatihim ma yaAAlamuhum illa qaleelun fala tumari feehim illa miraan thahiran wala tastafti feehim minhum ahadan

    23. Wala taqoolanna lishay-in innee faAAilun thalika ghadan

    24. Illa an yashaa Allahu waothkur rabbaka itha naseeta waqul AAasa an yahdiyani rabbee li-aqraba min hatha rashadan

    25. Walabithoo fee kahfihim thalatha mi-atin sineena waizdadoo tisAAan

    26. Quli Allahu aAAlamu bima labithoo lahu ghaybu alssamawati waal-ardi absir bihi waasmiAA ma lahum min doonihi min waliyyin wala yushriku fee hukmihi ahadan

    27. Waotlu ma oohiya ilayka min kitabi rabbika la mubaddila likalimatihi walan tajida min doonihi multahadan

    28. Waisbir nafsaka maAAa allatheena yadAAoona rabbahum bialghadati waalAAashiyyi yureedoona wajhahu wala taAAdu AAaynaka AAanhum tureedu zeenata alhayati alddunya wala tutiAA man aghfalna qalbahu AAan thikrina waittabaAAa hawahu wakana amruhu furutan

    29. Waquli alhaqqu min rabbikum faman shaa falyu/min waman shaa falyakfur inna aAAtadna lilththalimeena naran ahata bihim suradiquha wa-in yastagheethoo yughathoo bima-in kaalmuhli yashwee alwujooha bi/sa alshsharabu wasaat murtafaqan

    30. Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati inna la nudeeAAu ajra man ahsana AAamalan

    31. Ola-ika lahum jannatu AAadnin tajree min tahtihimu al-anharu yuhallawna feeha min asawira min thahabin wayalbasoona thiyaban khudran min sundusin wa-istabraqin muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki niAAma alththawabu wahasunat murtafaqan

    32. Waidrib lahum mathalan rajulayni jaAAalna li-ahadihima jannatayni min aAAnabin wahafafnahuma binakhlin wajaAAalna baynahuma zarAAan

    33. Kilta aljannatayni atat okulaha walam tathlim minhu shay-an wafajjarna khilalahuma naharan

    34. Wakana lahu thamarun faqala lisahibihi wahuwa yuhawiruhu ana aktharu minka malan waaAAazzu nafaran

    35. Wadakhala jannatahu wahuwa thalimun linafsihi qala ma athunnu an tabeeda hathihi abadan

    36. Wama athunnu alssaAAata qa-imatan wala-in rudidtu ila rabbee laajidanna khayran minha munqalaban

    37. Qala lahu sahibuhu wahuwa yuhawiruhu akafarta biallathee khalaqaka min turabin thumma min nutfatin thumma sawwaka rajulan

    38. Lakinna huwa Allahu rabbee wala oshriku birabbee ahadan

    39. Walawla ith dakhalta jannataka qulta ma shaa Allahu la quwwata illa biAllahi in tarani ana aqalla minka malan wawaladan

    40. FaAAasa rabbee an yu/tiyani khayran min jannatika wayursila AAalayha husbanan mina alssama-i fatusbiha saAAeedan zalaqan

    41. Aw yusbiha maoha ghawran falan tastateeAAa lahu talaban

    42. Waoheeta bithamarihi faasbaha yuqallibu kaffayhi AAala ma anfaqa feeha wahiya khawiyatun AAala AAurooshiha wayaqoolu ya laytanee lam oshrik birabbee ahadan

    43. Walam takun lahu fi-atun yansuroonahu min dooni Allahi wama kana muntasiran

    44. Hunalika alwalayatu lillahi alhaqqi huwa khayrun thawaban wakhayrun AAuqban

    45. Waidrib lahum mathala alhayati alddunya kama-in anzalnahu mina alssama-i faikhtalata bihi nabatu al-ardi faasbaha hasheeman tathroohu alrriyahu wakana Allahu AAala kulli shay-in muqtadiran

    46. Almalu waalbanoona zeenatu alhayati alddunya waalbaqiyatu alssalihatu khayrun AAinda rabbika thawaban wakhayrun amalan

    47. Wayawma nusayyiru aljibala watara al-arda barizatan wahasharnahum falam nughadir minhum ahadan

    48. WaAAuridoo AAala rabbika saffan laqad ji/tumoona kama khalaqnakum awwala marratin bal zaAAamtum allan najAAala lakum mawAAidan

    49. WawudiAAa alkitabu fatara almujrimeena mushfiqeena mimma feehi wayaqooloona ya waylatana ma lihatha alkitabi la yughadiru sagheeratan wala kabeeratan illa ahsaha wawajadoo ma AAamiloo hadiran wala yathlimu rabbuka ahadan

    50. Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa kana mina aljinni fafasaqa AAan amri rabbihi afatattakhithoonahu wathurriyyatahu awliyaa min doonee wahum lakum AAaduwwun bi/sa lilththalimeena badalan

    51. Ma ashhadtuhum khalqa alssamawati waal-ardi wala khalqa anfusihim wama kuntu muttakhitha almudilleena AAadudan

    52. Wayawma yaqoolu nadoo shuraka-iya allatheena zaAAamtum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum wajaAAalna baynahum mawbiqan

    53. Waraa almujrimoona alnnara fathannoo annahum muwaqiAAooha walam yajidoo AAanha masrifan

    54. Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani lilnnasi min kulli mathalin wakana al-insanu akthara shay-in jadalan

    55. Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhuda wayastaghfiroo rabbahum illa an ta/tiyahum sunnatu al-awwaleena aw ya/tiyahumu alAAathabu qubulan

    --------------------------------------------------------------------------------

  5. #25

    Default

    Bedoel je zo die sorat?

  6. #26

    Default

    Nee ik bedoel de vertaling ervan

  7. #27

    Default

    KOmt ie":

    In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
    1. Alle lof behoort aan Allah, Die het Boek aan Zijn dienaar heeft geopenbaard, gaaf en volmaakt.

    2. Volmaakt (in leiding), om te waarschuwen voor Zijn gestrenge kastijding en de gelovigen die goede werken verrichten de blijde tijding te brengen dat zij een uitstekende beloning zullen ontvangen,

    3. Die zij zullen smaken in eeuwigheid.

    4. En om diegenen te waarschuwen, die zeggen: "Allah heeft Zich een zoon genomen."

    5. Zij hebben er geen kennis van en hun vaderen evenmin. Erg is het woord, dat uit hun mond komt. Zij zeggen slechts onwaarheid.

    6. Misschien zult gij uit droefheid over hen sterven, omdat zij niet in deze Boodschap geloven.

    7. Voorwaar, Wij hebben al hetgeen op aarde is tot haar sieraad gemaakt om te beproeven, wie van hen van goede werken is.

    8. En zie! al hetgeen daarop is, zullen Wij tot dode stof veranderen.

    9. Denkt gij dat de lieden van de Spelonk en van de Inscriptie geen wonder onder Onze tekenen waren?

    10. Toen de jongelingen hun toevlucht zochten in de Spelonk, zeiden zij: "Onze Heer, verleen ons Uw genade en bereid ons een weg naar vrede en voorspoed uit onze beproeving."

    11. Derhalve zonderden Wij hen in de Spelonk af voor een aantal jaren.

    12. Daarna wekten Wij hen op, om te beproeven welke der twee partijen wijzer was, naar de tijd dat zij daar hadden vertoefd.

    13. Wij zullen u hun geschiedenis in waarheid verhalen. Zij waren jongelingen die in hun Heer geloofden en Wij gaven hun meer leiding.

    14. En Wij versterkten hun hart toen zij opstonden en zeiden: "Onze Heer is de Heer der hemelen en der aarde. Nimmer zullen wij een andere god aanroepen naast Hem, anders zouden wij inderdaad een grote dwaasheid begaan."

    15. "Dit ons volk heeft goden genomen naast Hem. Waarom brengen zij voor hen geen duidelijk bewijs? En wie is onrechtvaardiger, dan hij die een leugen over Allah verzint?"

    16. "Wanneer gij u van hen en van hetgeen zij nevens Allah aanbidden verwijdert, neemt dan uw toevlucht tot de Spelonk en uw Heer zal Zijn barmhartigheid jegens u vermeerderen en uw aangelegenheden gunstig doen verlopen."

    17. En wanneer de zon opgaat zult gij haar zich zien verwijderen rechts van de Spelonk en wanneer zij ondergaat, ziet gij haar zich naar links afwenden, daartussen in de holte van (de Spelonk) bevonden zij zich. Dit zijn de tekenen van Allah. Hij die door Allah wordt geleid, wordt juist geleid doch degene, die Hij laat dwalen, voor hem zult gij stellig geen vriend en leidsman vinden.

    18. Gij denkt dat zij wakker zijn, terwijl zij slapen en Wij zullen hen zich naar links en rechts doen wenden, terwijl hun hond met zijn voorpoten uitgestrekt op de drempel ligt. Indien gij een blik op hen werpt, zult gij U zeker van hen afwenden en vluchten, met ontzag vervuld.

    19. En Wij deden hen ontwaken, zodat zij elkander konden ondervragen. Een van hen zeide: "Hoelang hebt gij hier vertoefd?" Anderen zeiden: "Wij zijn een dag of een gedeelte van een dag gebleven." Nog anderen zeiden: "Uw God weet het best, hoe lang gij hier gebleven zijt. (Het is beter) n van ons met deze zilveren munt naar de stad te zenden en laat hij zien, wat het beste voedsel is en hiervan levensmiddelen meebrengen en laat hij zich vriendelijk gedragen en niemand omtrent ons inlichten."

    20. "Want indien zij over jullie te weten komen, zullen zij jullie stenigen, of trachten jullie te bekeren tot hun godsdienst en jullie zullen nimmer kunnen slagen."

    21. Dit hebben wij hun bekend gemaakt, opdat zij zouden weten, dat de belofte van Allah waarheid is en dat er omtrent het Uur geen twijfel bestaat. Alsdan redetwisten de mensen over hen, zeggende: "Richt een gedenkteken voor hen op." Hun Heer weet wat het beste is. Degenen, die de overhand behielden, zeiden: "Wij zullen voorzeker een bedehuis boven hen (boven hun graf) oprichten."

    22. Sommigen zullen zeggen: "Er waren er drie en de vierde was hun hond." En sommigen zullen zeggen: "Er waren er vijf en de zesde was hun hond," gissende in het wilde weg en sommigen zullen zeggen: "Er waren er zeven, de achtste was hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun getal het beste. Niemand kent hen, enkelen uitgezonderd." Redetwist dus niet over hen er diep op ingaande en vraag evenmin van n hunner inlichtingen over hen.

    23. En zeg niet over iets: "Ik zal het morgen doen,"

    24. Zonder (er bij te zeggen): "Indien het Allah behaagt." En wanneer gij het vergeet, gedenk dan uw Heer en zeg: "Ik hoop, dat mijn Heer mij nog dichter dan thans naar de rechte weg zal leiden."

    25. En zij bleven driehonderd jaar in hun Spelonk en voegden er negen aan toe.

    26. Zeg: "Allah weet het best, hoelang zij daar vertoefden." Hem behoren de geheimen der hemelen en der aarde, hoe Ziende is Hij en hoe Horende! Zij hebben geen vriend buiten Hem en aan Zijn koninkrijk laat Hij niemand deelnemen.

    27. En verkondig hetgeen u door Uw Heer is geopenbaard in het Boek. Er is niemand, die Zijn woorden kan veranderen en gij zult geen toevlucht vinden buiten Hem.

    28. Blijf bij degenen die hun Heer 's morgens en 's avonds aanroepen en die Zijn welbehagen zoeken en laat uw ogen niet van hen afdwalen door het zoeken van de praal dezer wereld en gehoorzaam niet aan hem, wiens hart Wij achteloos hebben gemaakt voor de gedachte aan Ons, noch degene die zijn begeerte volgt en wiens geval het ergste is.

    29. Zeg: "Het is de waarheid van uw Heer: laat daarom geloven die geloven wil en niet geloven, die niet wil." Voorwaar, wij hebben de boosdoeners een Vuur bereid, welks omheining hen zal insluiten. Indien zij om hulp roepen, zullen zij worden begoten met water als gesmolten lood, dat hun gezicht zal verbranden. Hoe verschrikkelijk is de drank en hoe vreselijk de rustbank.

    30. Wat betreft degenen die geloven en goede werken doen, voorwaar, wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan.

    31. Voor dezulken zijn de Tuinen der eeuwigheid, waardoor beken vloeien. Zij zullen daarin worden getooid met armbanden van goud en zullen groene gewaden van fijne zijde en zwaar brocaat dragen, terwijl zij op tronen zullen liggen. Hoe goed is de beloning en hoe schoon is de rustplaats.

    32. En geef hun de gelijkenis der twee mannen. Voor een hunner maakten Wij twee wijngaarden, omgeven met dadelpalmen en daartussen legden Wij korenvelden.

    33. Elk der tuinen bracht vruchten voort en bleef niet in gebreke. En door beide deden Wij rivieren stromen.

    34. En hij had overvloed,en zeide tijdens een gesprek tot zijn gezel: "Ik ben rijker dan gij, aan bezit en in getal."

    35. En hij ging zijn tuin binnen, terwijl hij onrechtvaardig was tegenover zichzelf. Hij zeide: "Ik denk niet, dat dit ooit zal vergaan."

    36. "Noch denk ik dat het Uur zal komen. Indien ik tot mijn Heer word teruggebracht, zal ik voorzeker een betere plaats vinden dan dit."

    37. Zijn gezel redetwistte en zeide: "Gelooft gij niet in Hem, Die u schiep uit stof, daarna uit een levenskiem en u dan vormde tot een volledig mens?"

    38. "Wat mij betreft, het is Allah Die mijn Heer is, ik zal niemand met mijn Heer vereenzelvigen."

    39. "Waarom zeidet gij niet, toen gij de tuin binnentraadt: 'Het is zoals het Allah behaagt, er is geen God dan Allah?' indien gij mij als uw mindere in rijkdom en nakomelingen ziet,"

    40. "Waarschijnlijk zal mijn Heer mij iets beters geven dan uw tuin en bliksemstralen uit de hemel doen nederdalen op de uwe, waardoor deze grond kaal wordt."

    41. "Of het water er van in de grond doen zinken, waardoor gij niet in staat zult zijn, het te bereiken."

    42. En zijn fruit werd vernietigd en hij begon zijn handen te wringen wegens hetgeen hij aan de tuin had besteed, terwijl het latwerk eveneens was neergestort en hij zeide: "Had ik maar niemand met mijn Heer vereenzelvigd."

    43. En hij had geen leger om hem tegen Allah te helpen, noch kon hij zich verdedigen.

    44. De bescherming komt alleen van Allah, de Ware. Hij is de Beste in het belonen en de Beste in het verrekenen.

    45. Geef hun de gelijkenis van het leven dezer wereld: het is als Wij water uit de hemel nederzenden, waardoor de planten der aarde volop groeien en daarna verdrogen zij en breken in stukken die de wind verspreidt. Allah heeft macht over alle dingen.

    46. Rijkdom en kinderen zijn een sieraad van het leven dezer wereld, maar blijvende goede werken, zijn beter bij uw Heer tot beloning en hoop.

    47. En (gedenk) de dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en gij de aarde zult zien oprijzen en Wij hen (de mensen) zullen verzamelen en niemand hunner zullen Wij achterlaten.

    48. En zij zullen in rijen tot uw Heer worden gebracht. (Hij zal zeggen) Nu zijt gij tot Ons gekomen zoals Wij u in den beginne hebben geschapen. Doch gij dacht dat Wij nimmer een Uur voor u zouden vaststellen.

    49. En het Boek zal worden voorgelegd; dan zult gij de schuldigen zien vrezen wegens hetgeen daarin staat en zij zullen zeggen: "Wee ons! Wat voor een boek is dit! Het slaat klein noch groot over, doch het somt alles op." En zij zullen al hetgeen zij deden voor zich zien en uw Heer zal niemand onrecht aandoen.

    50. (Gedenk de tijd) toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt voor Adam", zij bogen, doch Iblies niet. Hij was n der djinn, derhalve was hij ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer. Zult gij hem en zijn nageslacht tot vrienden nemen, terwijl zij uw vijanden zijn? Slecht is het loon der onrechtvaardigen.

  8. #28

    Default

    51. Ik riep hen niet om te getuigen van de schepping der hemelen en der aarde, noch van hun eigen schepping noch neem Ik degenen die misleiden ooit tot helpers.

    52. (Gedenk) de dag waarop Hij zal zeggen: "Roept degenen waarvan gij beweerdet dat zij Mijn deelgenoten waren." Dan zullen zij hen (de afgoden) aanroepen, doch dezen zullen hun niet antwoorden; en Wij zullen een scheiding tussen hen maken.

    53. En de schuldigen zullen het Vuur zien en weten dat zij daarin zullen vallen; zij zullen daar niet aan ontkomen!

    54. Voorwaar, Wij hebben in deze Koran voor de mensen allerlei gelijkenissen vermeld, doch de mens is in vele dingen zeer twistziek.

    55. En niets belet de mensen te geloven wanneer de leiding tot hen komt en hun Heer vergiffenis te vragen, dan (dat zij vragen) dat de weg der voorvaderen over hen kome of dat de straf voor hun ogen kome.

    56. Wij zenden de boodschappers slechts als dragers van de blijde tijding en als waarschuwers. De ongelovigen twisten met leugens om daardoor de Waarheid te niet te doen. En zij houden Mijn tekenen en al hetgeen waarmee zij zijn bedreigd, voor scherts.

    57. En wie is onrechtvaardiger dan hij die herinnerd wordt aan de tekenen van zijn Heer, doch zich er van afwendt en vergeet, hetgeen zijn handen hebben verricht? Voorwaars Wij hebben sluiers over hun hart gelegd zodat zij niet begrijpen en doofheid in hun oren. Indien gij hen derhalve tot de leiding roept, willen zij de rechte weg niet volgen.

    58. Doch uw Heer is Vergevensgezind, Barmhartig. Indien Hij hen ter verantwoording zou roepen voor hetgeen zij hebben verdiend, dan zou Hij ongetwijfeld hun straf hebben verhaast. Neen, voor hen is een vastgestelde tijd waaraan zij niet kunnen ontkomen.

    59. En deze steden! Wij vernietigden ze toen zij ongerechtigheden bedreven. En Wij stelden een bepaalde tijd vast voor hun verdelging.

    60. En (gedenk de tijd) toen Mozes zeide tot zijn dienaar: "Ik zal het niet opgeven voordat ik de samenvloeiing van twee zeen heb bereikt, al moet ik eeuwenlang voortgaan;"

    61. En toen zij de plek bereikten waar de beide (zeen) samenkwamen, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.

    62. En toen zij verder gingen, zeide hij tot zijn dienaar: "Breng ons het ochtendmaal. Waarlijk, vermoeidheid heeft ons bevangen, vanwege onze reis."

    63. Hij antwoordde: "Zie, toen wij ons op de rots begaven vergat ik de vis - en slechts Satan deed mij vergeten er over te spreken - en de vis vond op bewonderenswaardige wijze zijn weg naar de zee."

    64. Hij zeide: "Dat is waarnaar wij hebben gezocht." Derhalve keerden beiden op hun schreden terug.

    65. Daar vonden zij een Onzer dienaren, aan wie Wij Onze barmhartigheid hadden bewezen en wie Wij van Onze kennis hadden geschonken.

    66. Mozes zeide tot hem: "Mag ik u volgen dat gij mij onderwijst in de leiding, die u is gegeven?"

    67. Hij antwoordde: "Gij kunt geen geduld hebben met mij."

    68. "Want hoe kunt gij geduldig zijn over dingen die uw begrip te boven gaan?"

    69. Hij zeide: "Indien het Gode behaagt, zult gij mij geduldig vinden en ik zal aan uw bevel niet ongehoorzaam zijn."

    70. Hij zeide: "Welaan dan, indien gij mij wenst te volgen stel mij nergens vragen over eer ik zelf daaromtrent tot u spreek."

    71. Aldus vertrokken beiden totdat zij in een boot stapten en hij maakte er een gat in. Waarop Mozes uitriep: "Hebt gij er een gat in gemaakt teneinde de opvarenden er van te doen verdrinken? Voorwaar, gij hebt iets gruwelijks bedreven."

    72. Hij antwoordde: "Had ik u niet gezegd dat gij stellig geen geduld met mij zoudt kunnen tonen?"

    73. Mozes zeide: "Maak mij geen verwijt omdat ik het vergeten ben en maak het mij niet moeilijk."

    74. Zij reisden dus verder tot dat zij een knaap ontmoetten en hij deze doodsloeg. Mozes zeide: "Hebt gij een onschuldige gedood die niemand had vermoord? Voorwaar, gij hebt een afkeurenswaardige daad begaan."

    75. Hij antwoordde: "Zei ik u niet dat gij nimmer in staat zoudt zijn mij met geduld te vergezellen?"

    76. Mozes zeide: "Indien ik u wederom iets vraag houd mij dan niet in uw gezelschap, dan hebt gij zeker een verontschuldiging van mijn kant."

    77. Aldus vervolgden zij hun weg totdat zij bij de inwoners ener stad kwamen aan wie zij om eten vroegen, doch dezen weigerden hun gastvrijheid te betonen. Nu vonden zij daar een muur, die op het punt stond in te storten en hij herstelde deze. Mozes zeide: "Indien gij wildet, hadt gij er loon voor kunnen vragen."

    78. Hij zeide: "Dit is de scheiding tussen u en mij. Ik zal u thans de verklaring geven van datgene waarvoor gij geen geduld kondet tonen."

    79. "Wat de boot betreft, deze behoorde aan arme lieden die op de rivier werkten, en ik verkoos haar onbruikbaar te maken want achter hen was een koning die alle (goede) schepen met geweld in beslag wilde nemen."

    80. "En wat de jongeling betreft, zijn ouders waren gelovigen en wij vreesden dat hij schande over hen zou brengen door zijn opstandigheid en ongeloof."

    81. "Derhalve wensten wij dat hun Heer hun in zijn plaats een ander kind zou schenken dat reiner en zachtmoediger zou zijn (dan hij)."

    82. "En wat de muur betreft, deze behoorde aan twee weesjongens in de stad en daaronder lag hun schat (begraven), hun vader was een rechtvaardig man derhalve behaagde het uw Heer dat zij volwassen zouden worden en dan hun schat zouden opgraven als een genade van uw Heer, en dit alles deed ik niet uit mezelf. Dit is de verklaring van datgene waarvoor gij geen geduld kondet tonen."

    83. Men vraagt u betreffende Zol-Qarnain. Zeg: "Ik zal u zijn verhaal vertellen."

    84. Wij vestigden zijn macht op aarde en schonken hem de middelen (en het vermogen) alles te volbrengen.

    85. En hij volgde een weg,

    86. totdat hij het verste punt in de richting van de ondergaande zon bereikte, en deze in een bron van modderig water zag ondergaan, waarbij hij een (ongelovig) volk aantrof. Wij zeiden: "O, Zol-Qarnain, bestraf hen of behandel hen met vriendelijkheid."

    87. Hij zeide: "Wat betreft degene die kwaad doet, hem zullen wij straffen; daarna zal hij worden teruggebracht tot zijn Heer die hem straffen zal met een gestrengere straf."

    88. "Doch wat hem betreft die gelooft en oprecht handelt, hij zal een goede beloning ontvangen, en Wij zullen hem op Ons bevel alle gemakken verschaffen."

    89. Vervolgens ging hij een andere weg.

    90. Totdat hij het land van de rijzende zon bereikte, en ontdekte dat zij over een volk opging voor hetwelk Wij geen beschutting er tegen hadden verschaft.

    91. Zo was het, en Wij hadden volledig kennis van wat hij bezat.

    92. Vervolgens ging hij weer een andere weg.

    93. Totdat hij tussen twee bergen kwam, waar hij een volk aantrof dat amper een woord verstond.

    94. Zij zeiden: "O Zol-Qarnain, Gog en Magog stichten onheil op aarde, mogen wij u dan schatting betalen mits gij een afscheiding tussen hen en ons opricht?"

    95. Hij antwoordde: "De macht waarmee mijn Heer mij heeft bekleed is beter, doch gij kunt mij met lichamelijke kracht helpen. Ik zal tussen u en hen een sterke afscheiding oprichten."

    96. "Brengt mij blokken ijzer." (Zij deden dit) totdat hij de ruimte tussen de beide rotsen had opgevuld; toen zeide hij: "Blaast." totdat (het ijzer) wit gloeiend werd, nu zeide hij: "Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er overheen giete."

    97. Derhalve waren zij (Gog en Magog) niet (meer) in staat er overheen te klimmen, noch waren zij bij machte er doorheen te graven.

    98. Hij zeide: "Dit is een genade van mijn Heer. Maar wanneer de belofte van mijn Heer vervuld zal worden, zal Hij dit uiteen doen vallen. En de belofte van mijn Heer is werkelijkheid,

    99. En op die Dag zullen Wij sommigen hunner tegen anderen laten opstaan en de bazuin zal worden geblazen. Dan zullen Wij hen allen tezamen verzamelen.

    100. En Wij zullen op die dag de hel aan de ongelovigen tonen.

  9. #29

    Default

    101. Wier ogen gesluierd waren voor de herinnering aan Mij, en die zelfs niet konden horen.

    102. Denken de ongelovigen dat zij Mijn dienaren tot beschermers kunnen nemen buiten Mij? Voorwaar Wij hebben de hel bereid tot een onthaal voor de ongelovigen.

    103. Zeg: "Zullen wij u verhalen omtrent degenen die het grootste verlies in hun werken zullen lijden?"

    104. Diegenen, wier streven gericht is op het leven dezer wereld en denken dat zij een bijzonder goed werk verrichten,

    105. Dezen zijn het die de tekenen van hun Heer en de ontmoeting met Hem verwerpen. Derhalve zijn hun werken verloren gegaan en op de Dag der Verrijzenis zullen Wij geen weegschaal voor hen oprichten.

    106. De hel is hun beloning wegens hun ongeloof en de spot die zij met Mijn Tekenen en Mijn boodschappers bedreven.

    107. Voorwaar, de gelovigen die goede werken doen, zullen de tuinen van het Paradijs tot onthaal hebben.

    108. Daarin zullen zij vertoeven en zij zullen niet wensen daaruit weg te gaan.

    109. Zeg: "Al ware de oceaan inkt voor de Woorden van mijn Heer, zo zou de oceaan zijn uitgeput eer de Woorden van mijn Heer ten einde komen - zelfs al zouden Wij er evenveel ter aanvulling toevoegen."

    110. Zeg: "Ik ben slechts een mens gelijk gij, doch mij wordt geopenbaard dat uw God slechts n God is. Laat daarom degene, die op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen."

  10. #30

    Default

    ik ga vannacht of morgen ook lezen Incha'Allah...bedankt Imo

Similar Threads

  1. Dajjal Op Komst
    By liief_prinsesje in forum Islam Video
    Replies: 8
    Last Post: 07-12-2010, 11:39
  2. Kan iemand mij wat vertellen over DAJJAL.
    By Anouar in forum Vraag & Antwoord
    Replies: 15
    Last Post: 11-12-2009, 06:54

Members who have read this thread: 0

There are no members to list at the moment.

Bladwijzers

Bladwijzers

Posting Permissions

  • You may not post new threads
  • You may not post replies
  • You may not post attachments
  • You may not edit your posts
  •